Roofvogels algemeen 

Er zijn zo’n 300 verschillende soorten roofvogels. Daarvan komen er ongeveer 30 in Nederland voor. Roofvogels zijn vogels die prooien vangen, doden, en opeten. Het zijn echte vleeseters met een krachtige kromme snavel en sterke handen met flinke klauwen. Een roofvogel jaagt niet voor zijn plezier, maar om in zijn levensonderhoud te voorzien. Veel vogelsoorten jagen op dieren, maar zijn toch geen roofvogel. Een merel die een worm uit de grond trekt, is geen roofvogel maar een zangvogel. Hij heeft geen klauwen, en ook geen kromme snavel. Een papegaai heeft wel een grote kromme snavel, maar geen scherpe klauwen. Bovendien eet een papegaai overwegend vruchten. Een uil hoort ook bij de roofvogels maar zij vormen een aparte groep.

Vormen en maten

Roofvogels variëren enorm in grootte. De kleinste roofvogel, een dwergvalkje, meet maar 20 cm terwijl de Andes- condor met zijn spanwijdte van bijna 3 meter de grootste roofvogel mag worden genoemd. Bij de meeste roofvogels is het vrouwtje groter dan het mannetje. Bij de meeste roofvogels is het vrouwtje 1/3 groter dan het mannetje. De meeste roofvogels lijken wel op elkaar wanneer ze rusten, maar als ze vliegen zie je enorme verschillen in vleugelvorm en –grootte. Meestal kun je hieruit afleiden welke jachttechnieken ze hebben en wat de aard van hun leefgebied is. 

De bouw

Roofvogels zijn uitstekende vliegers. Net als andere vogels hebben ze sterke borst- en vleugelspieren om hun te bewegen. Hun lichaam is bijna helemaal bedekt met veren, waardoor het glad en gestroomlijnd is en gemakkelijk door de lucht glijdt. Alle botten zijn licht maar zeer sterk. Anders dan andere vogels hoesten roofvogels braakballen op die bestaan uit de onverteerde delen van hun prooi. 

Klauwen

Een prooi pakken is een ding maar een prooi doden en aan stukken scheuren iets anders! Een roofvogel moet zijn prooi in een stevige greep houden. Hiervoor is hij uitgerust met stevige handen en scherpe kromme nagels. Toch bestaan er grote verschillen in de vorm van de klauwen. Met zijn grote handen kan een zeearend zijn prooi stevig vasthouden als hij er stukken vanaf probeert te scheuren. Een havik kneedt zijn prooi, de lange nagels dringen diep de prooi binnen en zorgen bijna onmiddellijk voor de dood. Een buizerd doet het weer iets anders. Hij pakt zijn prooi stevig vast, maar de nagels en tenen worden om de prooi heengeslagen. Door stevig te knijpen, verstikt hij zijn prooi. Ook de torenvalk beheerst deze truc, soms in combinatie met een stevige beet in de kop van de muis.

Alle roofvogels hebben een kromme snavel met een stevige haak eraan. Toch zijn er verschillen te ontdekken als je goed kijkt. Die verschillen hebben te maken met de manier van prooi doden en eten. Met een zware dikke snavel kan een grote prooi worden verscheurd (arend), en een extra haakje aan de snavel is handig bij het doden van een prooi (valk), en een spitse slanke snavel is geschikt om larven uit een wespennest te peuteren( wespendief).

Zintuigen 

Mensen gebruiken hun vijf zintuigen om de wereld te verkennen, namelijk hun gezicht, gehoor, reuk, smaak, en tast. Vogels gebruiken meestal alleen hun gezicht en gehoor. Voor roofvogels is het gezicht verreweg het belangrijkste zintuig om de prooien waarvan ze leven te vinden en te vangen. Hun ogen zijn uitzonderlijk groot ten opzichte van hun kop en ze zitten zodanig in de schedel dat ze naar voren kijken. Doordat ze met hun ogen recht naar voren kijken, kunnen ze tijdens het jagen afstanden nauwkeurig inschatten. Sommige kiekendieven en haviken gebruiken hun scherpe gehoor om te jagen. De gehooropeningen van vogels zijn vrij klein. Ze liggen achter de ogen en zijn onzichtbaar omdat ze met veren zijn bedekt. 

Vleugels en vlucht

De vleugels van alle roofvogels werken op dezelfde manier. Sterke borstspieren zorgen dat de vleugels op en neer slaan en stuwen de vogel voort door de lucht. Tijdens deze beweging gaan de vleugels in de luchtstroom omhoog en dragen ze het gewicht van de vogel. De vorm van de vleugels kan variëren en past bij de leefwijze van de vogel. Grote roofvogels zoals gieren zweven vaak in de lucht. Deze vogels hebben lange brede vleugels die op de luchtstromen glijden. De kleinere vogels zoals de sperwer, hebben kortere, afgeronde vleugels en een lange staart waarmee ze snel door bosachtig gebied kunnen zigzaggen. De staart helpt het vogellichaam in evenwicht te houden en het door de lucht te leiden. Een gespreide staart bevordert de stijgkracht en helpt de vogel afremmen tijdens het landen. 

Waar komen ze voor? 

Over de hele wereld leven roofvogels, van in het hoge noorden tot in de woestijn, in bossen en in de bergen, op het platteland en in de steden. Nederland heeft een rijke roofvogelbevolking. Om ze te zien moet je natuurlijk wel goed kijken op de juiste plekken en op de juiste momenten. Elke roofvogelsoort heeft zijn eigen leefgebied.

Waar leven vogels in Nederland?

Bossen: Omdat de meeste roofvogels in bomen broeden, zijn bossen geschikt om roofvogels te bekijken. In het broedseizoen kun je de volgende soorten zien: buizerd, havik, wespendief, boomvalk, torenvalk. De meest opvallende van dit stel is de buizerd. De andere roofvogels vallen minder op, ook al omdat ze weinig geluiden maken. De beste kans om ze te zien, is aan de bosrand en bij open plekken in het bos, tijdens zonnig weer en midden op de dag. 

Cultuurland: Akkers en weilanden met bosjes zijn geschikte plekken voor buizerds en torenvalken. Buizerds zie je op een paaltje zitten, speurend naar muizen en mollen. De torenvalk hangt vaak in de lucht te “bidden”. Door snel met zijn vleugels te slaan, kan de torenvalk als een helikopter op een plek blijven hangen. Het boerenland biedt ’s winters onderdak aan grote aantallen roofvogels uit: Duitsland, Denemarken en Scandinavië. Vandaar ook dat je ’s winters veel vaker buizerds op paaltjes ziet dan zomers. 

Dorpen en steden:

Hoe gek het ook klinkt, maar zelfs in grote steden broeden roofvogels. Als er maar bomen en struiken staan en er voldoende prooi is. Vooral in de winter zijn de bebouwde gebieden belangrijk voor roofvogels. De bossen zijn dan bijna leeg, terwijl er rond de huizen veel vogels zitten. 

Vogeltrek

Alle roofvogels hebben een territorium waarin ze naar voedsel zoeken en zich voortplanten. Voor de nakomelingen is meestal geen plek, dus moeten zij een nieuw territorium voor zichzelf zoeken. Als er voldoende voedsel is, kunnen de ouders in het broedgebied blijven, dit zijn standvogels. Zo niet, dan trekken ze ’s winters naar warmere gebieden. Soms doen ze dit omdat hun prooien ook zijn weggetrokken. Zo vliegen vogels liever niet over grote stukken water als ze de winter in het zuiden door willen brengen. Boven water zijn er minder opstijgende luchtstromen dan boven land. Daarom gaan veel trekroutes door gebieden met een gunstig gelegen landbrug of een korte oversteek. 

Nesten en eieren 

In hun territorium (het gebied waarin ze jagen), bouwen vogels een nest waarin het vrouwtje haar eieren legt. Roofvogels nestelen meestal ver van elkaar af, omdat ze een groot jachtgebied nodig hebben. Maar sommige soorten, waaronder vale gieren en kleine torenvalken, broeden in kolonies. Roofvogels kunnen op verschillende plaatsen nestelen, in grotten en op rotsen, in boerderijen en verlaten nesten van andere vogels, of op de grond of hoog in de bomen. Het nest zelf is soms een eenvoudige holte in een richel en niet meer dan een kale plek waar de eieren kunnen liggen. Andere nesten zijn ingewikkelde structuren van takken en twijgen. Veel vogels keren elk jaar met dezelfde partner naar het hetzelfde nest terug, dat geleidelijk wordt uitgebreid tot een enorm bouwwerk. 

Het kuikenleven 

Het aantal eieren dat het vrouwtje legt, hangt van de soort af maar ook van het voedselaanbod. Grotere roofvogels zoals arenden leggen 1 of 2 eieren. Kleinere vogels zoals torenvalken en sperwers leggen meestal rond de 6 eieren. De eieren moeten na het leggen bebroed worden zodat de kuikens zich in het ei kunnen ontwikkelen. Eén van de ouders zit daarom voortdurend op de eieren, meestal is dit het vrouwtje. Het mannetje brengt het vrouwtje dan voedsel. De broedperiode bij de meeste roofvogels duurt rond de 35 dagen. Pas uitgekomen kuikens kunnen nog moeilijk bewegen. Ze kunnen niet staan , en zitten dus op hun enkels. De donslaag op hun lichaam is nog te dun om hen warm te houden. Ze hebben hun moeders warmte nodig om in leven te blijven. Daarom verlaat de moeder het nest nog niet. Het mannetje blijft voedsel brengen, dat zij verscheurt en aan de jongen voert. Na ongeveer 10 dagen komt er een tweede donslaag op de kuikens die hen lekker warm houdt. Het vrouwtje kan dan het nest vaker verlaten en weer op jacht gaan. De kuikens worden steeds sterker in hun bewegingen en kunnen nu ook staan. Hoe lang jonge vogels in het nest blijven is afhankelijk van de soort. De jongen van kleinere vogels blijven maar zo’n 8 weken in het nest. Jonge gieren blijven soms bijna een half jaar in het nest. Tijdens de groei komen door de dikke donslaag hun veren tevoorschijn. De kuikens worden sterker en beginnen hun vleugels te oefenen door er mee te fladderen en in het nest rond te springen, deze vogels noemen ze takkelingen. Het duurt weken en soms zelfs maanden voordat de jonge vogels het vliegen goed onder de knie hebben. Tot die tijd zijn ze voor al hun voedsel afhankelijk van hun ouders. 

Jagen

Roofvogels jagen op verschillende manieren. Sommige roofvogels zitten op hun tak en wachten tot er een prooi op de grond verschijnt of langs vliegt. Andere vogels vliegen laag boven open gebieden, van en naar een beschutte plek zoals een bomengroep. Slechtvalken staan bekend om hun spectaculaire duikvluchten. Met opgevouwen vleugels en met een snelheid van ruim 300 km per uur doden ze hun prooi in de lucht met hun enorme snelheid. 

Prooien

Roofvogels jagen op allerlei dieren. Velen jagen op andere vogels, zoals mussen, spreeuwen en duiven die meestal in de lucht gepakt worden. Sommige roofvogels jagen op kleine zoogdieren zoals konijnen, lemmingen, ratten en muizen. Steenarenden en andere grote vogels pakken grotere prooien zoals kleine schaapje ,geitjes en vossen. 

Roofvogels en de mens 

In het wild hebben roofvogels weinig vijanden, behalve misschien andere roofvogels. In veel gebieden staan ze bovenaan in de voedselketen. Ze kennen maar één bedreiging: de mens. Eeuwenlang hebben mensen op roofvogels gejaagd. De laatste tijd zorgen mensen ook direct voor de dood van roofvogels. Door het spuiten van landbouwgiffen op zaden en gewassen. Wanneer roofvogels gifbevattende dieren opeten, worden roofvogels vergiftigd en gaan dood. Ook een grote vijand is de auto, veel roofvogels worden dood langs de kant van de weg aangetroffen. Doordat ze jagend op talrijke prooien in de wegberm hangen,vormen passerende auto’s een groot gevaar. Natuurbeschermers proberen vogels die uit dreigen te sterven, te beschermen. Ze hebben veel soorten in stand weten te houden door ze in gevangenschap te fokken en hun nakomelingen in het wild los te laten. De toekomst van veel roofvogels ziet er beter uit in die delen van de wereld waar mensen veel waarde hechten aan natuur en milieu. 

Jagen met roofvogels

Jagen met roofvogels noemen we valkerij. In het Midden-Oosten is het een jarenlange traditie om met valken te jagen. Valkeniers gebruiken verschillende vogels voor de jacht. De meest gebruikte vogels zijn valken en havikachtige. Een valkenier moet vaardig en geduldig zijn om een roofvogel te kunnen africhten. Eerst moet hij een band met zijn vogel opbouwen en het vertrouwen van de vogel winnen. De volgende stap is de vogel op de handschoen laten eten. Hierna zl de vogel steeds verder moeten komen om zijn eten te halen bij de valkenier. De vogel zal een steeds betere conditie krijgen en ook leren jagen op prooien. Een valkenier gebruikt verschillende materialen zoals werpriempjes en schoentjes, een draal en langveter. Een valk heeft tijdens transport een huif op. En natuurlijk gebruikt een valkenier een leren handschoen waar de vogel op zit.

Dowbload hier de PDF-versie!